Georges Delerue - De eeuwige depanneur van Truffaut

Een eeuwig verbond. Zo werd de samenwerking tussen François Truffaut en Georges Delerue altijd genoemd. Delerue stond gebrandmerkt als zijn huiscomponist, maar slechts de helft van Truffaut’s films draagt – vreemd genoeg – de naam van Delerue op de aftiteling.

 

Elf films maakten ze samen: Truffaut en Delerue. 11 van de 22 die de legendarische Franse cineast draaide tussen 1959 en 1983. Ter vergelijking: voor Philippe de Broca schreef Delerue voor 22 films de muziek. Twee keer schortte Truffaut de medewerking met hem op, maar telkens met een hele goede reden. Een reden die Delerue – zelf een cinefiel in hart en nieren – meer dan waterdicht vond. Delerue werd aan Truffaut voorgesteld begin 1960.

Hoewel Truffaut alle lof voor zijn debuut “Les 400 Coups” had gekregen, was hij niet erg tevreden geweest over de partituur van Jean Constantin. Voor zijn nieuwe – erg muzikale – film was hij op zoek naar een componist met wie hij een hechte band kon opbouwen om de hele structuur & de opbouw door te praten. Toen Delerue werd aangezocht, was “Tirez Pas Sur Le Pianiste” grotendeels klaar. Hij werd uitgenodigd in een privé-zaal in het Quartier Latin in Parijs en kwam er onder de indruk van het acteertalent van Charles Aznavour en Marie Dubois. De toon van deze naar de parodie neigende film noir lag hem wel, maar hij maakte zich zorgen over de klankband. Hij zag Aznavour piano spelen, maar hij hoorde hem niet. Grote flarden van “Tirez Pas Sur Le Pianiste” waren een stille film. Dat bleek zijn opdracht. Ervoor zorgen dat er een partituur kwam die perfect aansloot bij het handenspel van Aznavour, maar evengoed dat van de drummer en de contrabasspeler. Een uitdaging voor de componist die zich tot dan toe vooral had beziggehouden met theater- & balletproducties, kortfilms en… commercials. Van Liebig tot Ovomaltine. In 1979 werd zelfs nog voor een campagne van het watermerk Perrier muziek van Delerue gebruikt.

De ontmoeting met Truffaut na de projectie was kort maar voldoende voor Delerue om te weten dat het zou ‘klikken’. Nauwelijks twee weken later legde hij Truffaut een sluitende partituur voor en was alle argwaan (die van beiden kanten bleek te komen) verdwenen. Pas maanden later kwam Delerue aan de weet dat toen veel bekendere componisten als Maurice Le Roux en Georges Auric (die later directeur van de Parijse Opéra zou worden) waren aangezocht maar voor de klus hadden bedankt. Maar de basis voor een robuuste samenwerking tussen Truffaut & Delerue was gelegd. Hun volgende film zou een ware triomf worden: “Jules Et Jim”. Bleef zijn aandeel in “Tirez Pas Sur Le Pianiste” eerder beperkt, voor “Jules & Jim” moest hij een score van 55 minuten schrijven. Het zuurzoete lied voor hoofdactrice Jeanne Moreau “Le Tourbillon” – dat alleen maar door Delerue werd gearrangeerd - werd zelfs een meezinger en zwakte de hele heisa rond de schandaalfilm die “Jules & Jim” in bepaalde kringen werd, enigszins af. Truffaut deelde de mening van Delerue dat zijn muziek mocht contrasteren met de beelden. Het gaf hem een grotere vrijheid van werken en het resultaat werd een lyrische soundtrack, die tot zijn beste werk behoort. Truffaut bleef Delerue trouw opzoeken zodra hij met een nieuwe film bezig was. Hij had de neiging om de muziek in zijn films breed uit te smeren maar het was Delerue zélf die Truffaut om bepaalde scènes in stilte te laten verlopen. Voor “Antoine et Colette”, een nieuwe episode in het leven van Antoine Doinel van amper 32 minuten, als deel van het geheel “L’Amour A 20 Ans”, moest Delerue uiteindelijk maar 3 thema’s schrijven van elk 1 minuut. Eén ervan was een samengebald maar wonderlijk mooi lied(je) gezongen door Xavier Despras. Delerue stond ervoor bekend om thema’s op maat te maken. Hij dacht vaak mee met de regisseur bij de montage. Als Delerue de gelegenheid kreeg om échte suites voor een film uit te werken, leverde dat wél meesterwerken op . Zoals het met een Oscarnominatie bekroonde ”Agnes Of God” (Norman Jewison, 1985) en “True Confessions” (Ulu Grosbard, 1981), twee ‘verstilde’ en haast sacrale soundtracks.

“La Peau Douce” werd door het publiek lauw onthaald in 1964. Truffaut kon gelukkig soelaas zoeken in de voorbereidingen van het boek vol ‘entretiens’ met zijn grote held Alfred Hitchcock. In het kader daarvan ontmoette hij Bernard Herrmann, die gemakshalve wordt afgedaan als de huiscomponist van Hitchcock maar in feite ‘slechts’ 7 soundtracks afwerkte voor hem. In het hele oeuvre van Hitchcock haast te verwaarlozen, ware het niet dat het ging om een ketting van meesterwerken: “The Man Who Knew To Much” (’56), “The Wrong Man” (’57), “Vertigo” (’58), “North By Northwest” (’59) en “Psycho” (’60).

Toen Truffaut Herrmann in Londen sprak, was de laatste samenwerking Herrmann/Hitchcock een feit: “Marnie”. Weliswaar zou hij nog aangezocht worden door Hitch om de muziek bij “Torn Curtain” te schrijven, maar die thema’s werden botweg verworpen en John Addison nam zijn plaats in. De kans om met Herrmann te werken, wou Truffaut niet laten liggen. Met de nodige gêne lichtte hij Delerue in. Die moedigde hem zelfs aan om met een andere componist te gaan werken. Het resulteerde in 2 films “Fahrenheit 451” en “La Mariée Etait En Noir”. Alles leek erop dat Delerue terug zou worden ingeschakeld bij “Baisers Volés”, het derde luik rond Antoine Doinel, maar één van de actrices uit de cast, Claire Duhamel stelde haar schoonzoon aan Truffaut voor. De filmcomponist Antoine Duhamel had al gewerkt met de andere Nouvelle Vague-voorvechter , Jean-Luc Godard voor “Pierrot Le Fou” en “Weekend”. Delerue beweerde achteraf dat Truffaut bang was geweest om hem terug te vragen. Het duurde tot 1971, tot “Les Deux Anglaises Et Le Continent” vooraleer Truffaut Delerue weer betrok bij zijn filmprojecten.

Een ‘werkonderbreking van 7 jaar’. In die periode was Delerue binnengehaald door de Britten & de Amerikanen maar zijn vliegangst en gebrekkige kennis van het Engels hadden ervoor gezorgd dat hij nog niet was uitgeweken naar Hollywood. Schoorvoetend vroeg Truffaut zijn compagnon uit de eerste dagen terug. “Zodra Delerue zich aan het werk zet, beginnen mijn films te leven.”

Toch zou de tandem na 3 films weer uiteenvallen. Om hun hernieuwde samenwerking te bezegelen kreeg Delerue zelfs een rol in “Les Deux Anglaises Et Le Continent” uit 1971. Eerder was hij de ster geweest in een komische kortfilm van Ken Russell “Don’t The Shoot The Piano Player” (een variante op zijn eerste grote filmscore). Russell omschreef Delerue als de meest volmaakte filmcomponist en zou met hem “Women In Love” maken.

Na ’Une Belle Fille Comme Moi’ vroeg Truffaut Delerue om voor ‘La Nuit Américaine’ een glorieus thema te schrijven. Precies omdat het op een cruciaal en overweldigend moment in deze meesterlijke film ‘binnensloop’, bleef het nazinderen en werden pas nu veel kijkers geattendeerd op het hechte verbond tussen François Truffaut & Georges Delerue. Wellicht ook omdat in de film Delerue zijn opdrachtgever belt en aan de telefoon een stukje van zijn score laten horen. De stem in “La Nuit Américaine” was ook daadwerkelijk die van Delerue. Vreemd genoeg maakte Delerue een doordrukje van “Le Grand Choral” voor een Amerikaanse film van dat jaar “The Day Of The Dolphin”, waarvoor hij in ’74 een Oscarnominatie kreeg en zelfs een Golden Globe won.

Truffaut nam na “La Nuit Américaine” even de tijd om het internationale succes te verwerken en kwam de muziek van Maurice Jaubert op het spoor. Deze veel te vroeg gestorven componist – hij kwam om aan het front in 1940 – had prachtige muziek geschreven bij de dokumentaires van Henri Storck, maar net zo goed bij vooroorlogse klassiekers als “Quai Des Brumes” en “Zéro de Conduite”. Het recycleren of herwaarderen van filmmuziek was (en is nog steeds) behoorlijk ongewoon. Klassieke thema’s of liederen worden wel vaker opnieuw gebruikt, maar met origineel geschreven filmmuziek wordt omzichtiger omgesprongen. Merkwaardig genoeg werd een flard filmmuziek van Delerue ondertussen ook al gerycleerd. Door Martin Scorcese. In “Casino”. Omdat Truffaut vond dat het werk van Jaubert door een nieuwe generatie mocht ontdekt worden, koos hij voor zijn muziek bij “L’Histoire d’Adèle H.” in 1975. Truffaut was dit keer niet te beschaamd om Delerue snel op de hoogte te brengen. Hij wist hoe Delerue zijn werk waardeerde en zelfs door hem was beïnvloed. Bovendien wou Delerue in die periode wat meer tijd voor zijn familie én voor de realisatie van zijn vierde (en laatste) opéra “Médis Et Alyssio”. Truffaut vond steeds meer partituren van Maurice Jaubert terug, die hij liet opkuisen en koos heel secuur thema’s uit die werden toegevoegd aan meesterlijke ‘filmpjes’ als “L’Argent de Poche” en “L’Homme Qui Aimait Les Femmes”. Het orgelpunt werd “La Chambre Verte” uit 1978 – een film over dodenverering – waar Jaubert tussen de gloed van kaarslicht ook een gezicht krijgt. ”La Chambre Verte” blijft mijn lievelingsfilm van Truffaut, ondanks het moeilijke thema, erg literair en ontdaan van elk spatje humor. De muziek van Jaubert ontroert me telkens weer ontroert en toch had ik graag willen weten hoe Delerue dit muzikaal had ingevuld.

In ’79 – ook nu had Delerue geduldig 6 jaar moeten wachten – vroeg Truffaut hem weer voor de zoveelste lotgevallen van Antoine Doinel. Hoewel de partituur eerder karig uitviel en een liedje van Alain Souchon de aandacht naar zich toetrok, won Delerue toch de César voor de beste filmmuziek. Ondertussen had hij zijn meer dan verdiende Oscar in Hollywood binnen voor “A Little Romance”, al gaf hij eerlijk toe dat dit niet tot zijn beste werk behoort. Met “Le Dernier Métro” kwam andermaal een Franse erkenning. Truffaut had aanvankelijk de intentie alleen liedjes te gebruiken uit die periode, maar achtte het toch noodzakelijk om er een elftal minuten originele muziek bij te schrijven. Delerue bedacht één van zijn mooiste walsen en leidde er enkele geniale variaties uit af. Goed voor alweer een César. Delerue was aanwezig op de Oscar-ceremonie toen de film in ’81 werd genomineerd in de categorie “beste buitenlandse film”.

De dramatische score voor “La Femme d'à Côté” en de dartele thema’s voor “Vivement Dimanche” completeren het boeiende & coherente oeuvre dat Delerue voor Truffaut schreef. Truffaut noemde Delerue een hartelijk & broederlijk man.”Sa musique lui ressemble et il ressemble à sa musique”. Zo mocht ik het ook ervaren, toen ik door Delerue werd uitgenodigd in de Opera van Gent op 9 oktober 1987 de repetities bij te wonen van zijn concert dat hij die avond gaf. Het ging om de projectie van de stille film “Casanova” waarvoor hij een volledige nieuwe partituur had geschreven. Dat hij een doodvreemde maar beate bewonderaar uitnodigde tijdens de openingsavond van het Gentse filmfestival vond ik al ontwapenend charmant, maar ook dat hij tijdens de pauzes uit de orkestbak klom om gezellig met mijn te praten over zijn (én mijn) werk, was meer dan ik verlangen kon. Op dat moment was nét zijn soundtrack uit van “Un Homme Amoureux” van Diane Kurys, bij EMI Pathé, maar Delerue was daarover hoogst verwonderd. Hij had gehoord dat er geen geld was om de muziek commercieel uit te geven.

Het gesprek was enigszins ontnuchterend, omdat ik voelde hoe hij afstand nam van bepaalde opdrachten. Delerue bekende wel eerlijk dat hij nog de volgende dag in de platenzaak op zoek zou gaan naar zijn eigen score voor “Un Homme Amoureux”. ‘Ze zullen me toch niet herkennen van de hoes’, zei hij lachend, ‘dat is het voordeel om filmcomponist te zijn’. Wat me toen trof was hoe respectvol hij sprak over Frederic Devreese, terecht onze grootste Belgische filmcomponist. De hele dag keek ik naar een gepassioneerd musicus en een fijngevoelig mens. Ik hoop dat over enkele jaren een Franse regisseur op het lumineuze idee komt om het beste werk van Delerue door te geven aan een nieuwe generatie cinefielen. Zoals Truffaut dat bij mij alvast teweegbracht met Maurice Jaubert, gespreid over 4 films, en de liederen van Lucienne Delyle via “Le Dernier Métro”. Gelukkig hebben Martin Scorcese via “Casino” en Wong Kar Wai via”In The Mood For Love” al het goede voorbeeld gegeven: zij recycleerden Delerue op een heel elegante manier. En ondertussen heeft zelfs het parfummerk Chanel via een sensueel reclamespotje de muziek van Delerue terug op het Cinemascherm gebracht. Het superbe thema van “L’Insoumis” weerklinkt in volle schoonheid in dolby stereo, ook al is het amper 45 seconden.

Van Delerue verscheen in 1998 het boek “Georges Delerue – Une Vie” met voorwoord van Oliver Stone. Editions Jean Curutchet.

Op CD kan u deze werken raadplegen: François Truffaut/Maurice Jaubert/Georges Delerue MILAN CD 220 - uitgegeven in 1987

Georges Delerue: Music from the films of François Truffaut – Hugo Wolff conducts the London Sinfonietta (nieuwe opnames, met nooit eerder uitgebrachte “La Valse de François T.”) Nonensuch 7559-794O5-2 – uitgegeven in 1997

En de 5-delige CD Box: “Bandes Originales des Films de François Truffaut: L’Intégrale/The Complete Works” – met naast 4 CD’s met filmmuziek 1 CD met interviews van Truffaut bij het verschijnen van “La Chambre Verte”, “Le Dernier Métro” en “La Mariée Etait En Noir – uitgegeven in 1995- MILAN 887 988